Geschiedenis

"De Gooische Broederschap" in Hilversum behoort met rangnummer 86 tot de oudere vrijmetselaarsloges in Nederland.

Vrijmetselarij in Nederland kwam eerst vooral tot bloei in de grote steden, of in andere plaatsen met veel handelscontacten, of universiteitssteden en garnizoensplaatsen. Zo zijn er al meer dan tweehonderd jaar oude loges in Den Haag, Amsterdam en Rotterdam, maar ook in Brielle, Breda, Deventer, Groningen, Haarlem, Kampen, Leiden, Maastricht, Nijmegen, Tiel, Vlissingen.

In de "provincie", dus buiten de hierboven genoemde centra, moesten de loges het vooral hebben van nieuwkomers; mensen die voor hun werk moesten verhuizen, zoals ambtenaren, onderwijzers, leraren  of rechters. In Hilversum is er zo vóór 1870 duidelijk geen voedingsbodem voor vrijmetselarij. Pas na de aanleg van de spoorlijn, wanneer Hilversum gaat groeien en er veel mensen van buiten Hilversum in het dorp komen wonen, komen er ook vrijmetselaren naar Hilversum. Zij zijn, of worden, lid van loges in Amsterdam, maar ontmoeten elkaar ook in Hilversum. Om het verhaal over vrijmetselarij in Hilversum te vertellen, moeten we het doen met gebrekkige gegevens, zeker voor wat betreft de beginjaren. Toch zijn er uit het archief wat gedeeltelijk verloren is gegaan nog verschillende feiten vast te stellen.

In 1885, toen Hilversum als groeiende forenzenplaats circa 10.000 inwoners telde, was toen al door in het Gooi wonende vrijmetselaren een maçonnieke vereniging opgericht onder de naam "Erica".
Helaas zijn de namen van deze broeders niet meer te achterhalen. Wel was terug te vinden dat er in 1885 9 keer, in 1886 6 keer, in 1887 1 keerl en in 1889 eveneens 1 keer, werd vergaderd. In de laatste vergadering deelt de secretaris mee, dat er geen financiële bijdrage van de broeders wordt gevraagd, omdat de geldmiddelen, hoewel gering, voldoende zijn om de kosten te dekken. Er ontbreken verder notulen van de vergaderingen, maar in 1892 blijkt "Erica" nog steeds te bestaan, wat blijkt uit latere mededelingen.

We vinden verder dat er in mei 1891 in café "De Pauw" aan de Vaartweg 54, waar nu het Gemeentelijk Gymnasium staat, een vergadering wordt belegd van vrijmetselaren uit Hilversum en Bussum. Er wordt ook hier een maçonnieke vereniging opgericht onder de naam ‘Exelsior’. Vrij regelmatig komen deze leden van "Exelsior' bijeen, beurtelings in Hilversum en Bussum. Een paar maanden later, in oktober 1891 wordt er door de leden besloten een constitutiebrief aan te vragen. Hiermee zou de vereniging dan een zelfstandige loge kunnen vormen met een officiële aansluiting bij het Grootoosten der Nederlanden. Om onduidelijke redenen wordt aan dit besluit door de orde geen gehoor gegeven. Het verhaal gaat dat "het Gooi" wat rebels was...

In 1892 doet een zekere broeder Kempff het voorstel om te proberen toenadering te zoeken tot  leden of vroegere leden van de maçonnieke vereniging "Erica". Hij bepleit een samensmelting van deze beide verenigingen. Een commissie wordt benoemd om dit voorstel verder uit te werken. Op 3 maart 1892 zijn de Broeders van "Erica" en "Excelsior" in vergadering bijeen en wordt tot opheffing van beide verenigingen besloten. Daarna moet er een nieuwe vereniging worden opgericht. Een bestuur wordt gekozen, waarin zowel oudleden van "Erica" als "Excelsior" zitten. Voorzitter wordt broeder Jager (van "Erica"). Een moeilijkheid blijkt het zoeken naar een naam voor de nieuwe vereniging. Een uitvoerige discussie ontstaat. Oudleden van "Excelsior" doen het sportieve voorstel om de oudleden van "Erica" een naam uit laten kiezen. Broeder Jager meent echter dat het beter is dat ieder die aanwezig is een naam op een briefje schrijft, om dan later over alle opgegeven namen te discussiëren. Aldus wordt besloten, en bij opening der briefjes blijkt geen enkel briefje de naam "Erica" te bevatten, en maar een paar de naam "Exelsior". Op de overgrote meerderheid van de briefjes staat:

"De Gooische Broederschap"

Zonder verdere discussie wordt deze naam aangenomen, waarbij de voorzitter de broeders bedankt voor verdraagzaamheid, omdat zij bereid waren hun oorspronkelijke namen te hebben willen prijsgeven ter bevordering van een goede onderlinge verstandhouding. In een volgende vergadering word het ontworpen reglement aangenomen en de vereniging wettig gemaakt. Uit de verslagen tot het jaar 1894 blijkt dat de vergaderingen regelmatig om de veertien dagen plaats vinden, beurtelings in Hilversum en Bussum.

Vanaf 1894 tot en met 1896 zijn er geen verslagen of notulen meer te vinden. Dat is jammer, omdat zo in deze periode een bijzondere gebeurtenis zonder commentaar blijft. Op 13 maart 1896 is namelijk een aanvraag ingediend bij het ordebestuur om een reguliere loge te stichten in Hilversum. Het ordebestuur heeft hier in toegestemd. Het gevolg hiervan was dat met ingang van 21 juni 1896 door het Grootoosten de Nederlanden, onder het voorzitterschap van de Grootmeester G. Vas Visser, een constitutiebrief is verleend aan de loge "De Gooische Broederschap", gevestigd te Hilversum, met als rangnummer 86. Het was echter een loge met een "beperkte werkkring";  dat wil zeggen dat er geen nieuwe kandidaten als Vrijmetselaar mochten worden aangenomen.

Volgens deze constitutiebrief zijn de namen van de oprichters:

  • W.J.H. Bake
  • J.W. Kempff Jr.
  • W. Smeets
  • A. Wassink
  • H.W.Th. Walter
  • G. de Kruijff van Dorssum
  • L. Jutte
  • E. Donkersloot

Donkerblauw met oranje biezen werden gekozen als  "kleur van de loge".